Samenvatting van belangrijke concepten.
· De relatieve distributie van bloed naar de organen wordt geregeld door de vasculaire weerstand van het individuele orgaan wat wordt bepaald door extrinsieke (neurohumoraal) en intrinsieke (plaatselijke) mechanismen.
· Belangrijke plaatselijke mechanismen die de orgaan bloedflow reguleren zijn:
1) weefselfactoren:
a) adenosine
b) Kalium
c) O2
d) CO2
e) H+
2) Paracriene hormonen:
a) Bradykinine
b) Histamine
c) Prostaglandine
3) Endotheel factoren:
a) Nitro-oxide
b) Endotholine 1
c) Prostacycline
4) Myogene mechanismen:
a) Intrinsiek van de vasculaire spier.
· De volgende locale factoren geven vasodilatatie in de meeste weefsels:
a) adenosine
b) Kalium
c) CO2
d) H+
e) Bradykinine
f) Histamine
g) Prostaglandine
h) Nitro-oxide
i) Prostacycline
· De volgende plaatselijke factoren geven vasoconstrictie:
a) Endotholine 1
b) Myogene response van het vaatstel
· Mechanische compressie van bloedvaten hebben grote invloed op de bloedflow van de coronaire circulatie en op de contraherende skeletspieren.
· Autoregulatie, wat tot de intrinsieke mogelijkheid van een orgaan hoort, onderhoudt een constante bloedflow ondanks veranderingen in de perfusiedruk; dit is belangrijk in organen zoals het hart, hersenen, nieren, gastrointestinum en de skeletspier circulatie.
· In organen zoals het hart, hersenen, skeletspieren en maagdarmkanaal is de bloedflow nauw gekoppeld aan het oxidatieve metabolisme; een toename van de zuurstofconsumptie van het orgaanweefsel leidt tot een toename van de bloedflow. Dit wordt actieve of functionele hyperemia genoemd.
· Bloedflow in de volgende organen wordt gemiddeld tot sterk beïnvloed door het sympathische vasoconstrictie mechanisme, niet actieve skeletspieren, nieren, gastrointestinale circulatie en huid.
· Vasculaire controle mechanismen gelinked aan oxidatieve metabolismen zijn in het bijzonder het hart, hersenen en skeletspieren.